De Rotterdamse bodem en wat dat betekent
Rotterdam verschilt wezenlijk van Den Haag. Waar Den Haag op zand ligt, hebben grote delen van Rotterdam een ondergrond van veen en klei. Die bodem houdt water vast en dat heeft directe gevolgen voor de kruipruimte.
In de veengebieden – delen van Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg en de polders rondom de stad – staat het grondwater van nature hoger. Dat betekent dat een kruipruimte sneller vochtig wordt, en dat wateroverlast na natte periodes vaker voorkomt dan in zandgebieden.
Daar komt de Rotterdamse woningvoorraad bij. De stad heeft een groot aandeel vooroorlogse panden met houten vloeren op gemetselde funderingen, en een groot aandeel naoorlogse portiekflats en eengezinswoningen. Beide types hebben hun eigen zwakke plekken. In de oudere panden zien we vaker houtrot, in de naoorlogse woningen juist problemen met ondiepe kruipruimtes en verstopte ventilatie.
Wie de bodem én het bouwjaar kent, weet waar de problemen zitten. Dat is precies waarom wij in Rotterdam met een aangepaste aanpak werken.


